leeskring

Dorpsleven

Amos Oz

‘Dorpsleven’ van de Israëlische topauteur Amos Oz is geen recent boek en heeft niet de weerklank gekregen van ‘Een verhaal van liefde en duisternis’ dat als zijn magnum opus geldt, maar de bundel van acht verhalen waarvan er zeven zich afspelen in eenzelfde dorp mag als literatuur met hoofdletter L worden gecatalogeerd.

Tel Ilan is een naar de hedendaagse normen oud dorp dat in de Zionistische pioniersperiode betere tijden heeft gekend. Zijn charme haalt het uit cipressen, boom-en wijngaarden. De galerietjes met boetiekjes en restaurants waarmee op weekendtoerisme wordt gemikt, hebben niets vandoen met de personages uit de verhalen. Zij huizen in vergane boerderijen, een vervallende villa, een ambtswoning, ontmoeten elkaar in de bibliotheek of komen op winteravonden samen om oude liederen te zingen. Taferelen voor pentekeningen.

De onderliggende thematiek is universeel en van alle tijden, maar meestal niet om vrolijk van te worden: weemoed, onvervuld verlangen, eenzaamheid, verborgen spanningen. Bijna alle verhalen hebben gemeen dat zij de lezer(es) meenemen maar in het ongewisse laten omtrent de afloop. De personages zijn in hoofdzaak door het leven getekende mannen en vrouwen, in opvallende minderheid één meisje dat haar familie te slim af is en twee jonge mannen: een onderdanige Arabische ‘eeuwige’ student en een zeventienjarige knaap die verliefd is op een jonge weduwe. De karakterschetsen zijn subtiel.

Bij de uitwisseling van de algemene indruk en daaraan gekoppelde waarderingscijfers bleek er binnen onze leeskring een soort tweedeling: in het ene kamp een eerder aarzelende driesterren-, in het andere een bijna enthousiaste vijfsterrenquotering. Merkwaardig genoeg kwamen beide strekkingen na de daarop volgende uitvoerige bespreking dicht bij het finale besluit dat ‘Dorpsleven’ meer verdient dan een oppervlakkige lezing en vier sterren verdient. Alleen met de inhoud van het achtste verhaal ‘ Ergens ver in een andere tijd’, een deprimerende doemvertelling die alle hoop op een beter leven de bodem inslaat, bleef een meerderheid het moeilijk hebben. Een hoopgevend bewijs dat de mens ervan overtuigd is dat het leven altijd de moeite waard blijft?

De eerstvolgende Leeskringsessie staat op de agenda van dinsdag 28 maart met aanvang om 14.00 uur. Het te bespreken boek is ‘Een onschuldig meisje’, de allerlaatste roman van de kort na het inleveren van het manuscript overleden Nederlandse dichter, romancier en essayist Bernlef. Belangstellenden kunnen voor nadere informatie altijd terecht aan de balie van de bib.    

 

 


 

 

 

Het smelt

Het ophefmakend romandebuut van Lize Spit

 

Is ‘Het smelt’, het succesboek van 2016, een hype of houdt de debuutroman van Lize Spit in ons taalgebied de belofte in van een nieuw groot talent? Redelijkerwijs moet aan het eerste worden gedacht want de jonge uitgeverij Das Mag heeft er alles aan gedaan om het boek, dat ergens wel een nieuw geluid brengt, krachtig te promoten. De gevolgen van een gedurfde marketingcampagne zijn trouwens niet uitgebleven: ‘Het smelt’ en zijn auteur hebben bovenmatige media-aandacht gekregen. Het fenomeen van een jonge vrouw die op 28-jarige leeftijd van haar debuutroman 132.351  exemplaren kon verkopen, heeft velen nieuwsgierig gemaakt. Zeker ook nadat de professionele recensenten de toon hadden gezet door in hun quotering gul met vier en vijf sterren om te springen. Later is de redelijkheid wel teruggekeerd en landde het boek bij de klassieke drie van een goed boek. Blijft natuurlijk het fenomeen van de omzet, de indrukwekkende verkoopcijfers. In verband hiermee kan men nochtans ook niet blind zijn voor de controverse die thans tot uiting komt in de talrijke ‘reviews’ op de website van de Standaard Boekhandel: prijst een minderheid ‘Het smelt’ de hemel in, groter in aantal zijn de lezers die zich bekocht voelen.

Onze Leeskring had het voorrecht én het voordeel het boek te kunnen lezen in het vooruitzicht van een ontmoeting met de auteur die, op uitnodiging van het Willemsfonds, in de bib werd geïnterviewd en van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om uitgebreid over haar leven en werk te vertellen. Die ongedwongen kennismaking was een meevaller. Geen kapsones, wel een intelligente, integer overkomende zelfbewuste jonge vrouw.

Lize Spit is Master in het scenarioschrijven (RITCS –Erasmushogeschool). Het meisje uit de Antwerpse Kempen, dat na haar veertiende naar ze zelf getuigt was gestopt met het lezen van boeken, komt evenwichtig en welbespraakt uit de verf. Zij blijkt zelf de tegenpool te zijn van Eva, het ik-personage in haar boek dat in meer dan één passage de indruk wekt de schaamte voorbij te zijn. Ook het genesisverhaal, het plichtmatig dag aan dag acht uur schrijven waardoor het baksteen-dikke boek in het tijdsbestek van een kalenderjaar tot stand is gekomen, geeft te denken.

Over naar de Leeskring waar korte tijd later de meningen werden uitgewisseld. Op nuances na was er grote eensgezindheid omtrent de algemene appreciatie: ‘Het smelt’ is een sterk en  beklemmend verhaal dat de lezer niet loslaat.  Ondanks herhalingen en overbodige passages, onwaarschijnlijke zowel als voorspelbare ontwikkelingen, blijft het boek mede dankzij een originele constructie boeien tot het deprimerend einde zonder… ‘ontknoping’.

Het boek is geschreven in een directe stijl zonder franjes  en in een eigen beeldrijke taal. Minpunt is het volume waardoor ‘Het smelt’ niet alleen figuurlijk als een baksteen op de maag ligt. Iemand opperde de door anderen gedeelde mening dat, met een strenger redacteur, een derde van het aantal pagina’s zonder schade had kunnen geschrapt worden.

Literatuur met een hoofdletter L is in het boek ook niet en puristen zullen zich ergeren aan de door sommigen wellicht sympathiek bevonden ‘vlamismen’. Maar echt storend zijn de slordigheden en de onverbeterd gebleven taalfouten.

Binnen de Leeskring voelde niemand zich geroepen tijd uit te trekken om het boek waaraan finaal toch niemand een goed gevoel heeft overgehouden, een tweede keer te lezen. Alhoewel, een pienter iemand opperde dat zij bij het zoeken naar een geschikte voorleespassage niet verder was gegaan dan de eerste pagina. En kijk, daar had zij dan meteen de sleutel van het verhaal gevonden. Alleen al die vaststelling getuigt van het metier van een jonge auteur die beweert met chirurgische precisie afstandelijk  te willen schrijven. Het wordt dus toch uitkijken naar wat Lize Spit ons in later werk zal bieden.

 

 


Slagschaduw

David Van Reybroeck

Als er in onze vaderlandse letterkunde al een wat vergeten boek was dat verdiende heruitgegeven te worden, dan toch wel ‘Slagschaduw’ , het romandebuut van David Van Reybroeck die hiermee de longlist haalde voor de ‘Gouden Uil’ 2008. De heruitgave dateert van 2015 en dat zij meer dan terecht was hebben alle leden van onze Leeskring na lectuur van het boek eensgezind beaamd.

Slagschaduw is het verhaal van een dubbele zoektocht: die van de auteur naar de vrouw die model heeft gestaan voor het standbeeld van Gabrielle Petit, een verzetsheldin uit de Eerste Wereldoorlog, en die van de ik-persoon naar zichzelf. Het boek is tegelijkertijd een Brusselse ontdekkingstocht van binnenuit.

Van Reybroeck graaft in een heldere reporterstijl in het verleden van Brussel en slaagt erin door te dringen tot de ziel van de mensen die in zijn speurwerk al dan niet toevallig opduiken. Dat zijn de collega en vriend persfotograaf, de jonge vrouw die model staat in de academie voor beeldende kunsten, een toevallige Oegandese passante in ‘Brussels by night’ en de hoogbejaarde maar vitale weduwe van een dokter-reumatoloog die het model van de beeldhouwer misschien wel onder zijn patiënten heeft gehad.

Aanvankelijk heeft de lezer de indruk dat hij te maken krijgt met eerder los van elkaar staande korte verhalen, maar geleidelijk aan blijken die wonderwel in elkaar op te gaan om dan als in een mozaïek een mooi geheel te vormen. Voor sfeer en kleur zorgt de stad waarin de opeenvolgende scenes zich afspelen. Het boek ademt Brussel in herkenbare straten en pleinen tot in Ukkel toe, maar bij momenten al evenzeer in de typisch tweetalige dialogen.

Slagschaduw is een originele, knap opgebouwde roman die alles heeft om de lezer te verleiden maar in een onderhuids  vorderend proces van rouwverwerking ook ontroert.

Geen van de Leeskringleden die ook maar enige kritische bedenking heeft geuit. Het boek leest bovendien zo vlot en prettig dat niemand moeite had om een naar haar of zijn aanvoelen geschikte voorleespassage te vinden. De som van zeven voorleesmomenten was de bevestiging van een mozaïek waarvan ondanks de slagschaduw van een dramatisch fait divers, een ongeval met dodelijke afloop, een oplichtend beeld in het geheugen blijft hangen.

 

 


 

 

 

De Vriendschap

Connie Palmen

 

Ook al was het in alle vriendschap, heftiger is het er in onze Leeskring nog niet eerder aan toegegaan dan tijdens die record-warme dinsdagnamiddag van 13 september bij de bespreking van Connie Palmen’s boek ‘De Vriendschap’. Genuanceerd of niet, de meningen over het verhaal, de taal en de stijl van de auteur waren duidelijk tegengesteld. Misschien hadden degenen die het boek als middelmatig afdoen zich de moeite van een tweede lezing moeten getroosten, maar is dat niet teveel gevraagd van mensen die blij waren toen zij de laatste pagina konden omdraaien?

‘De Vriendschap’ is ontegensprekelijk autobiografisch. De auteur zelf heeft het over ‘autobiofictie’, maar wie kennis maakt met haar curriculum heeft weinig moeite om in de meeste van de door haar neergezette personages mensen te herkennen uit haar nabijheid.

Bij het gebruikelijk verkennend rondje waarin de deelnemers kort hun mening over het boek meedelen, toonde een minderheid zich enthousiast terwijl de meerderheid uiting gaf aan gemengde gevoelens. Meer dan één lezer was van oordeel dat er voor het vertellen van het verhaal geen driehonderd pagina’s nodig waren. Het zal wel eigen zijn aan de individuele perceptie dat niet iedereen zich op eenzelfde manier aangesproken voelt wanneer het gaat om gevoels-geladen aspecten die met vriendschap te maken hebben, maar in de uitwisseling van meningen moet het wel botsen zodra iemand obstinaat vasthoudt aan zijn overtuiging dat vriendschap het maar met één definitie kan stellen.

Ook over de door Connie Palmen gehanteerde taal en stijl liepen de meningen uiteen. Vlot leesbaar is het boek alleszins niet, maar wie kan ongelijk geven aan degenen die ‘De Vriendschap’ verrijkend vinden wegens de introspectieve beschouwingen en de diepgang van statements die zij er in hebben aangetroffen?

 

Het zou van kwade trouw getuigen ‘De Vriendschap’ af te doen als een met filosofische bespiegelingen verrijkt ‘meisjesboek’, al kan men zich ook afvragen of er bij de toekenning van de AKO-literatuurprijs naast letterkundige kwaliteiten niet ook andere factoren hebben meegespeeld. Om van een volwaardige roman te kunnen spreken, is de verhaallijn in elk van de drie delen toch wel iets te dun, terwijl de filosofische uitweidingen de leeslust van een modale lezer eerder afremmen dan aanwakkeren. De vraag of Connie Palmen’s tweede boek zo aanbevelenswaardig is als de haast niet bij te houden heruitgaven ervan laten vermoeden, blijft na de bespreking in onze Leeskring zonder antwoord.

 

 


 

Valavond

Annet Buurman

Met de bespreking van ‘Valavond’ van Annet Buurman heeft onze Leeskring zijn zesde werkjaar enthousiast afgesloten.

‘Valavond’ is na ‘De naakte waarheid’ een tweede al iets volumineuzer novelle van een auteur uit onze eigen kring. Het eind februari in de bib voor een grote opkomst feestelijk voorgestelde boek bevestigt met toegevoegd sterretje al het goede dat een paar jaar eerder over Buurman’s eersteling  werd geschreven.

In 120 pagina’s wordt, met het intermezzo van een verhelderende  flash back, in twee delen het verhaal verteld van Frida, een mensje dat in 1943 werd geboren om eenzaam oud te worden: enig kind van ouders met het onvermogen tot communiceren, geen vriendjes thuis of op school, op het werk geïsoleerd en eens gepensioneerd gedoemd om in voortschrijdende vereenzaming oud te worden. Omdat zij het leven niet aan durfde, heeft Frida haar onvervulde liefde geprojecteerd op een in gekregen klei onhandig geboetseerd beeldje.

Om de lezer een dieper inzicht bij te brengen in de gedachtewereld van haar hoofdpersonage, keert de auteur voor de ontknoping van het verhaal terug naar twee jongetjes die door hun schooljuf met een interviewopdracht waren uitgestuurd naar een ‘onbekende’ uit hun buurt. Blijkt dan dat de familienaam van een van die twee knapen Frida terugvoert naar zichzelf en de dramatiek waarin haar vader en moeder tijdens de oorlog  waren vastgelopen. Tot het verhaal stopt bij een voorval dat toch iets heeft van een bevrijdend, zij het open einde.

Los van het verhaal is het de verdienste van Annet Buurman dat zij haar verbeelding vorm weet te geven in een heldere, beeldende taal. Het is geen toeval dat zij als titel heeft gekozen voor het in Nederland eerder ongebruikelijke woord valavond: haar tweede boek is een intimistische vertelling maar dan wel een met de kwaliteit van een literaire aquarel.

Bij de uitwisseling van de gebruikelijke eerste algemene indruk viel er nauwelijks een kritisch geluid  te horen, er kwamen hooguit een paar vragen. De appreciaties van de collega’s-kringleden getuigden zonder onderscheid van grote waardering. Sommigen hebben na een eerste lectuur ‘voor het verhaal’ zelfs bij herhaling naar het boek teruggegrepen om te genieten van een treffende passage of enkele fraai verwoorde zinnen.

Ook een gedicht in twintig woorden dat als voorwoord of achteraf als synthese kan worden gelezen, was niet onopgemerkt gebleven.  Bovendien is gebleken dat het naturel van het als extraatje toegevoegde schoolopstel van de jongetjes fel werd gesmaakt.

De voorlezing van de voorkeurpassages waarmee de sessie traditioneel wordt besloten, gaf dit keer aanleiding tot een paar ontroerende persoonlijke getuigenissen. Toen de auteur dan als laatste zelf aan de beurt kwam met het sterke, in zorgvuldig gekozen bewoording geformuleerd droombeeld van haar personage, was het voor iedereen duidelijk dat het talent van Annet Buurman meer dan volstaat om er crescendo mee door te gaan.

Dat onze bibliotheek-assistent haar schrijversroeping professioneel beantwoordt, bleek trouwens uit de toelichting bij haar werkwijze. Zich fulltime aan het vak wijden zit er wel niet in, maar met haar passie voor het schrijven en de discipline van een wekelijkse vrijdag-schrijf-dag  in een daarbij gehanteerd vijfhonderd woorden-ritme, kijkt onze Leeskring uit naar een derde novelle. Of komt er een eerste roman?

 


De stad en de tijd

 Jonathan Robijn

 

Na ‘Porselein’ van Bettina Drion, een roman over een verzwegen oorlogsverleden, en eerder, ‘Eén mens is genoeg’ van Els Beerten en ‘De buitenvrouw’ van Joost Zwagerman, was ‘De stad en de tijd’ van Jonathan Bijnen het vierde boek dat onze Leeskring in zijn zesde jaargang heeft besproken. Het 285 pagina’s tellende boek is door zijn uitgever geduid als ‘een verhalenroman waarin de stad en de tijd de hoofdrol spelen’.

De stad is Brussel en de negen verhalen spelen zich af tegen de herkenbare achtergrond van de hoofdstad sinds Expo ‘58, maar het zijn vooral geluk zoekende, meestal eenzame mannen en vrouwen die de lezer boeien.

Of Jonathan Robijn eigenschappen van een visionair mogen toegedicht worden, is een vraag die als vanzelf is opgedoken bij de vaststelling dat het laatste verhaal  van het in 2013 uitgegeven boek ons op een ijzingwekkende wijze confronteert met een terroristische aanslag op een Brusselse metrolijn.

‘De stad en de tijd’ is een mozaïek van uit het leven gegrepen verhalen over mensen met een verleden, op zoek naar nieuw geluk of naar een bevrijdend einde. Hoe het er uiteindelijk mee afloopt, laat de auteur liefst over aan de verbeelding en/of de empathie van de lezer.

Uit de traditionele inleidende rondvraag naar de algemene indruk kwam snel naar voren dat geen van de kringleden het boek na lezing van een paar verhalen verveeld terzijde heeft gelegd. Integendeel, de getuigenissen waren unisono positief. Robijn hanteert een sierlijke taal en een vlotte schrijfstijl om inhoudelijk sterke verhalen te vertellen. Vaak duiken verrassende wendingen op. Een vleugje humor is nooit ver weg, al is er daarbij dan wel vaker een wat cynische ondertoon.

In het om beurten voorlezen van een persoonlijke voorkeurpassage waren er met negen verhalen geen overlappingen en te oordelen naar de lengte van de gekozen uittreksels hadden de meeste kringleden er duidelijk zin in. Niet te verwonderen dan ook dat de voor dit onderdeel van de sessie uitgetrokken tijd amper toereikend was. Gelukkig diende er omtrent de keuze van het eerstvolgend boek niet beraadslaagd te worden. Met ‘Valavond’  van Annet Buurman hebben wij voor de tweede keer immers een auteur uit eigen midden!

 


Eén mens is genoeg

Els Beerten

 

 

 

 

 

 

 

 

Met ‘Eén mens is genoeg’ heeft onze Leeskring kennis gemaakt met werk van de veel gelauwerde jeugdauteur Els Beerten (56).  Is deze roman een boek voor jonge lezers? Alvast niet voor de op de eerste sessie van 2016 aanwezige kringleden zoals gebleken is uit hun antwoord op de rondvraag naar een eerste algemene indruk. Gemene deler hierin was lectuur voor een breed publiek, adolescenten inbegrepen, dat van sterke verhalen houdt.

De roman speelt zich af in de tweede helft van de twintigste eeuw, eerst in de Limburgse mijnstreek en daarna in de Westhoek. In Vlaanderen dus op zijn breedst en in een volkse taal die zich niet tot literaire hoogstandjes leent. Inhoudelijk daarentegen gaat het wel om het zielenleven van het hoofdpersonage Juliette.

In de eerste van drie episodes verneemt de lezer(es) van haar zelf hoe het dramatisch misloopt in een mijnwerkersgezin met een levenslustige vader-vrijetijdsmuzikant, een manzieke moeder, een zelfstandige oudere broer en een vertroeteld jonger zusje.

Wanneer Juliette na een verlengd verblijf in een heropvoedingsinstelling voor minderjarigen wordt ontslagen, verhuist zij met haar broer Louis naar West-Vlaanderen waar in de persoon van Wilfried, een jonge cafébaas met een mislukte wielrennerscarrière, de verteller van de tweede episode opduikt.

Het derde en meest gelaagde deel van het verhaal wordt afwisselend gelezen vanuit de gevoelswereld van Juliette en Wilfried, met diens nichtje Lili als katalysator en bindmedium.

De door de auteur gehanteerde taal, de uit het leven gegrepen Vlaamse dialogen passen in een streekroman die de levenssfeer oproept van het volkse Vlaanderen uit de tweede helft van de vorige eeuw. Als dusdanig zou uit het boek zonder veel moeite een script kunnen gedistilleerd worden voor een televisieverfilming in afleveringen. Los van deze gratuite overweging is het de verdienste van Els Beerten dat zij met psychologisch inzicht de zielenroerselen heeft blootgelegd van een vrouw die met goede bedoelingen zichzelf verloor maar finaal, tegen de verwachting van de lezer(es) in, zichzelf toch terugvindt.

Wat het boek ook een meerwaarde verleent zijn een paar verrassende sleutelzinnetjes. Eén ervan is als titel gebruikt, een ander is het ultra korte maar bevrijdende slotzinnetje.

Na een levendige gedachtewisseling waren zelfs de aanvankelijk eerder terughoudende kringleden het ermee eens dat Els Beerten de vertelkunst op een creatieve manier beheerst. Wie aan het boek begint leest het uit.  Voor sommigen  is het aanvankelijk misschien wel even wennen aan de geschreven volkse spreektaal, in het verhaal zelf zit vaart genoeg om te blijven boeien.

Dat er bovendien ook voldoende mooie, zelfs ontroerende passages in te ontdekken zijn, werd geïllustreerd door de individueel voorgelezen voorkeurpassages, het vaste onderdeel waarmee iedere leeskringsessie wordt afgesloten.


Porselein

Bettina Drion


De buitenvrouw

Joost Zwagerman

 

Van alle boeken die de voorbije vijf jaar binnen de Leeskring zijn besproken, is ‘De buitenvrouw’, een roman uit de jaren negentig van Joost Zwagerman (1963 – 2015), tot dusver de minst gewaardeerde gebleken. Het verhaal van een ras-gemengde relatie tegen de achtergrond van discriminatie en racisme, mist vaart en diepgang. Bovendien is het, op enkele passages na, gespeend van literaire kwaliteit. De zeer hoge oplage – 300.000 exemplaren dankzij opeenvolgende heruitgaven – is wellicht toe te schrijven aan de herhaalde expliciete seksscenes die aan de verbeelding werkelijk niets overlaten, zelfs al worden ze ook eens gekaderd in doodsdriftoverpeinzingen van het hoofdpersonage.

In essentie draait het verhaal om Theo (34), een collegeleraar Nederlands ergens in Noord Holland. Na een schooluitstap voelt de nochtans ‘gelukkig getrouwde’ burgerman zich onweerstaanbaar aangetrokken door Iris (27),een jongere gymlerares van Surinaamse afkomst met een Bijlmerverleden. De twee beginnen een overspelige relatie met de spanningen van dien en, zij het dan alleen bij de man, een latent schuldgevoel.              

Wanneer de relatie binnen de schoolgemeenschap aan het licht komt, spelen de leerlingen een treiterig spelletje dat escaleert in een geweldscene waarbij de in het nauw gedreven leraar een van de scholieren hardhandig aanpakt en daardoor in de problemen komt. Wat de schooldirectie tot ingrijpen noopt. Het is Iris die tijdens een laatste ontmoeting Theo de ogen opent met haar verhaal over de binnen de creoolse samenleving heersende dubbele moraal, en aan de relatie een eind maakt. Het slot laat de lezer(es) eerder perplex bij het statement dat, nu aan de overspelige relatie een eind is gemaakt, de sporen van ontrouw zijn gewist en het leven dus opnieuw zijn gewone gang kan gaan. Op de avond van die dag neemt Theo een extra slaappil en dat was het dan.

Geen lezeres die de houding van het belangrijkste nevenpersonage, de vrouw van Theo, begrijpt. Ofwel is die bedrogen echtgenote, die nochtans wordt opgevoerd als intelligent en zelfstandig – zij verdient dubbel zoveel als haar man – grenzeloos naïef, ofwel wil zij gewoon niet weten wat zij ziet.

Zoals aangegeven, speelt het hele verhaal zich af tegen de achtergrond van een multiculturele samenleving met racisme en discriminatie als daaraan inherente bijverschijnselen. Blijkt dat ook in Noord Holland de tolerantie, zoals trouwens overal in West Europa, niet veel meer is dan een laagje ‘politiek correct’ vernis.

Ofschoon binnen de Leeskring de indruk overheerste dat het boek snel bijeen geschreven is en misschien daardoor de kans op een boodschap werd gemist, hadden de meeste leden verrassend genoeg toch nog een passage achter de hand die zij de moeite van het voorlezen waard achtten. Zodat de aan de lezing van ‘De buitenvrouw’ gespendeerde  tijd finaal toch niet als verloren diende beschouwd te worden. Maar het boek daarom als ‘te lezen’ aanbevelen, leek voor een meerderheid toch een stap te ver. Jammer voor de auteur dat van hem het verkeerde boek werd gekozen.
 


Luchtgezichten

Gie Bogaert

‘Luchtgezichten’ van Gie Bogaert is een boek dat verdient (her)ontdekt te worden. Het is geen vuistdikke roman van een auteur wiens naam geregeld opduikt in de bestsellerslijstjes. Het is geen hapklare lectuur voor trein of tram. Het is ook geen verhaal dat in zijn ontknoping beantwoordt aan de verwachting van de doorsnee lezer. Wat is  ‘Luchtgezichten’ dan wel? Niet minder dan een juweeltje voor fijnproevers van literatuur.

Het boekje van nauwelijks 136 pagina’s telt een achttal hoofdstukken waarin de auteur de lezer meeneemt in de onvervulde relatie van twee mensen, een vrouw en een man die elkaar in het tijdsverloop van veertig jaar driemaal ontmoeten. De eerste keer in hun kindertijd, de tweede keer als studerende adolescenten en tenslotte als vijftigers. De vrouw is dan blind, de man staat voor een delicate kankeroperatie.

Als kind was Lana het ‘wintermeisje’ van Lambert nadat hij haar bij het blindemannetje spelen had mogen zoenen omdat hij haar had herkend. Tien jaar later zien de twee elkaar terug als studenten. Tijdens een natuurwandeling, een voettocht door een schorrengebied dat de lezer doet denken aan het Verdronken Land van Saeftinge, toont het meisje de jongen ‘luchtgezichten’ die zij later zal schilderen. Hun wegen scheiden. Lana huwt en krijgt een zoon, maar wordt later door haar man verlaten. Lambert blijft alleen, heeft een baan bij een antiquair en wordt een gewaardeerd restaurateur van antieke spiegels. Wanneer Lana de spiegel, waarin zij zich onafwendbaar blind heeft zien worden, van de hand doet, komt Lambert haar op het spoor.  En wanneer zij op zoek gaat naar een voorlezer dient hij zich aan. Wederzijdse schroom weerhoudt hen zich tot elkaar te bekennen. Zij weet wie hij is maar krijgt het niet gezegd. Hij verzwijgt wie hij is en ook dat hij kanker heeft. Tot daar het verhaal dat eindigt met een laatste ontmoeting waarin hij voorleest wat hij zelf heeft geschreven tijdens al die jaren dat zij nooit uit zijn gedachten is weggeweest.

Een dergelijk verhaal heeft alles van een melodrama maar zo leest het nu juist niet. Door afwisselend te schrijven vanuit het standpunt van Lana en Lambert, zorgt de auteur voor psychologische diepgang in de innerlijke verkenning van zijn twee protagonisten. Bovendien zijn er boeiende nevenpersonages als de vader en de moeder die Lana als kind in hun relatie observeert. Net zoals men naar een impressionistisch schilderij kan kijken met verbeelding, zo wordt de lezer(es) deelgenoot van intimistische tafereeltjes vol fijne details. Woordkunstenaar Bogaert toont zich hier als meester-schilder.

De grote verdienste van dit in volume kleine boek is dat het bijdraagt aan het besef dat boeken lezen van het mooiste is dat een mens is gegeven. In ‘Luchtgezichten’ schrijft Gie Bogaert schoonheid. Taalvirtuositeit, eigen schrijfstijl, beeldrijk verwoorde gevoelsevocaties dwingen tot langzaam lezen. Herlezen en door een ander voorgelezen voorkeurpassages mogen beluisteren is tweemaal genieten.

Voor het besluiten van zijn vijfde jaargang had onze Leeskring moeilijk een betere keuze kunnen maken. Vera en Elisabeth, bij deze bedankt voor de tip. En nu warm aanbevolen aan de fijnproevers onder de leden van  de bib!


De aanslag

Harry Mulisch

Als laatste boek vóór de zomervakantie las de Leeskring  ‘De aanslag’ van Harry Mulisch (1927-2010), een gelaagde oorlogsroman uit 1982. Met dit boek was de bekende auteur niet aan zijn proefstuk. Het werd na publicatie snel een van zijn best verkochte en meest gelezen werken.

Naar inhoud gaat het verhaal over de represailles op een Haarlems gezin na een moordaanslag op een collaborateur en de gevolgen ervan voor het verdere leven van de enige overlevende van het gezin, de toen twaalfjarige Anton.

Boeiend, en voor oudere lezers herkenbaar, is de achtergrond waartegen de in episodes opgebouwde roman zich afspeelt. Te beginnen in januari 1945, het jaar van de aanslag, en vervolgens de Korea-oorlog in 1952, de Hongaarse opstand in 1956, de oorlog in Viëtnam in 1966 en de vredesmanifestaties tegen de plaatsing van NAVO-kernrakketten in 1981. Symboliek is in het boek nooit ver weg.

Al van bij de rondvraag bij de zeven kringleden naar hun eerste algemene indruk was er grote eensgezindheid: ‘De aanslag’ is een vlot leesbaar verhaal dat zeer sterk begint en de lezer(es) daarna niet meer loslaat tot hij/zij de ware toedracht en de omstandigheden van de aanslag samen met het hoofdpersonage heeft achterhaald. Dat gebeurt via al dan niet toevallige ontmoetingen met uiteindelijk alle rechtstreeks of indirect bij het drama betrokken personen. Om tot dat besef te komen volstaan enkele uren leesplezier, terwijl voor Anton de zoektocht de beste jaren van zijn leven heeft gevergd.

In de meer gedetailleerde bespreking is uitgebreid van gedachten gewisseld over de schuldvraag, een gegeven dat niet los kan worden gezien van de achtergrond van de auteur die de leeftijd had van het hoofdpersonage van het drama en bovendien zelf de zoon is van een collaborerende Hongaars-Duitse vader. Wat Mulisch ooit zou geïnspireerd hebben  tot de gevleugelde uitspraak: ‘Ik heb de oorlog niet zozeer meegemaakt, ik bén de Tweede Wereldoorlog’. Zoals veel tijdgenoten moet de auteur ook zelf geworsteld hebben met begrippen als goed, kwaad, schuld en onschuld met alles daar tussenin.

Op de keper beschouwd overstijgt ‘De aanslag’ dan ook het kader waarin het verhaal zich afspeelt. De gelaagdheid ervan en de erin verwerkte symbolen (duisternis en licht, dobbelsteen, sextant, kruidnagel, spiegel en zelfs liedjes op de jukebox) maken van het boek een tijdloos verhaal.

Wat tot een bijkomende leesaanbeveling strekt, is de in de Leeskring door iedereen beaamde vaststelling dat Mulisch ‘gemakkelijk’ leest. Allicht het bewijs van zijn meesterschap.


De bewaker

Peter Terrin

Van de vele in onze Leeskring reeds besproken boeken is ‘De bewaker’ van Peter Terrin ongetwijfeld het meest bizarre. Het boek heet een roman te zijn, maar er valt geen genre-etiket op te plakken. Het gegeven had een thriller kunnen opleveren en al evenzeer een sciencefictionroman, maar voor het eerste ontbreekt het aan spanning en voor het tweede blijft het raden naar een boodschap. Het verhaal is als het ware onvoldragen. Wist de auteur geen plot te verzinnen en heeft hij het daarom bij een open eind gehouden? Erudiete recensenten zullen er wel een of andere allegorie in onderkennen, maar waarop dan?

Feit is dat bij de snelle uitwisseling van een eerste algemene indruk, er onder de kringleden voorheen nooit zoveel eensgezindheid is geweest om het boek af te doen als moeilijk, saai en dus eerder teleurstellend. Een geluk nog dat het lezen ervan in gespreide korte beurten gefaciliteerd wordt door liefst 185 (!) hoofdstukjes over niet meer dan 219 pagina’s.

Inhoudelijk gaat het om het verhaal van twee collega’s die om beurten waken en slapen in de ondergrondse parkeergarage van een luxueuze residentie waaruit op één mysterieus iemand na alle inwoners zijn gevlucht. Buiten het gebouw vermoeden de twee protagonisten gevaar, maar zij blijven even plichtbewust als lijdzaam wachten op aflossing van de wacht en op promotie. Stipte opvolging van procedures en het strikt naleven van regeltjes lijken haast hun bestaansreden te zijn. Paranoia en hallucinaties zijn dan ook nooit ver weg. De lezer die verwachtte dat de komst van een derde bewaker in het verhaal voor wat meer vaart zou zorgen, komt pas later tot het inzicht dat die persoon door de auteur was bedacht met de rol van katalysator.

De literaire verdienste van het boek schuilt vooral in de schrijfstijl van Terrin, de strakke en zuivere taal die hij hanteert. Maar daarnaast – en dat is dan tot uiting gekomen in het voorleesmoment binnen de Leeskring – is ook gebleken dat er in ‘De bewaker’ toch fraaie passages te ontdekken zijn. Zelfs naar ieders smaak aangezien er voor het eerst in de geschiedenis van de Leeskring geen twee identieke voorkeuren waren.  


 

Leden van een Leeskring zijn mensen met leeslust. Meestal lezen zij veel, maar niet om het even wat. Een kranten- of tijdschriftenabonnee kent zijn recensenten, bibliotheekbezoekers kunnen voor advies aan de balie terecht. En kringleden, ja die geven elkaar nog wel eens een tip. Al dan niet los van een te bespreken boek over de keuze waarvan uiteindelijk in overleg wordt beslist.

Tot nog toe is het met die keuze altijd al meegevallen, ook al lopen de meningen niet altijd parallel. Wat met ‘Schildersverdriet’ van Jacques Kruithof overduidelijk het geval is gebleken.

Bij het eerste rondje met een korte gedachtewisseling waarbij iedere aanwezige zeer kort haar of zijn algemene indruk ventileert, was het enthousiasme omtrent het boek, dat naar zijn thematiek hoge verwachtingen had gewekt, zeker niet algemeen.

Is ‘Schildersverdriet’ een historische roman of een romantische historie? Geen van beide. De historische roman is in een verdienstelijke poging blijven steken, het verhaal is diepgaander dan een banale roman in een historisch kader.  Aan de  superlatieven van de uitgever op de achterflap van het boek – prachtig, wonderschoon, meesterlijk – mag zich evenwel niemand laten vangen.

De auteur, een jong gestorven literatuurprofessor, heeft zich ingespannen om tegen de achtergrond van de Tachtigjarige Oorlog en de Inquisitie  een historische roman te schrijven. Om die achtergrond des te geloofwaardiger te maken, heeft hij ieder hoofdstuk ingeleid met een uittreksel uit ‘Nederlandsche Historiën’ van P.C. Hooft. Omdat de oorspronkelijke tekst van deze kroniek van een roerige periode uit de geschiedenis der Nederlanden alles behalve vlot leesbaar is, heeft de auteur gemeend er goed aan te doen die teksten te ‘hertalen’. Resultaat: stroeve Statenbijbeltaal.

Het verhaal is dat van Adriaen en Brechtje dat alternerend vanuit het standpunt van een van beide hoofdpersonages wordt verteld. In twee delen met een tussentijd van dertig jaar. De twee jonge mensen worden geconfronteerd met de reformatie en als Brechtje kiest voor  het protestantisme en te maken krijgt met de inquisitie, scheiden hun wegen en leidt elk een eigen leven. Tot een oude, vereenzaamde Adriaen in zijn nadagen op zoek gaat naar Brechtje. De twee ontmoeten elkaar finaal in een gruwelijke ontknoping. Dramatiek in overdrive.

Wil dit nu zeggen dat ‘Schildersverdriet’ geen lezenswaardig boek is? Beslist niet want de auteur is een meester in het evoceren van de decors waarin zijn personages bewegen. De beschrijving van een straatscène in Brugge vanuit het raam van een schildersatelier doet aan Breugel denken, en een winterse reis per koets door Holland ervaart de lezer(es) alsof hij of zij er mee in zit.

Wat ook bijblijft, is dat de auteur-literatuurprofessor zich passend heeft weten te bedienen van een taalgebruik dat gerelateerd is aan de tijd waarin het verhaal zich afspeelt.

De confrontatie binnen de Leeskring van meningen over de hoofd- en nevenpersonages in het boek, over de schrijver en zijn werk, waren best boeiend en hebben uiteindelijk geleid tot een genuanceerde appreciatie: ‘Schildersverdriet’ is de moeite van het lezen waard voor mensen die houden van een roman die zich afspeelt in een bewogen periode uit onze geschiedenis. Voor anderstaligen die Nederlands lezen en verstaan, is het wegens het ietwat gezochte taalgebruik minder geschikt.


'Mevrouw Verona daatlt de heuvel af'  van Dimitri Verhulst


 

Laatste boek op de agenda van de Leeskring vóór de zomervakantie 2014 was ‘Het diner’ , de uit het Nederlands meest vertaalde roman ooit van Herman Koch(61). Het valt moeilijk om dit boek te catalogeren onder één noemer. Sommige lezers ervaren het als een psychologische roman, voor anderen heeft het veel van een thriller en derden appreciëren het als een satire. Maar aan het eind van 300 pagina’s boeiende lectuur houdt een meerderheid er wellicht toch een wat dubbel gevoel aan over.

Als lezer zit je mee aan tafel in een chique restaurant waar twee broers met hun vrouw een afspraak hebben om tijdens een diner een zwaarwichtig familieprobleem te bespreken. De oudste van de twee is een politicus met ambitie, de jongste een geschiedenisleraar op non-actief wegens een psychische stoornis. De relaties binnen de twee gezinnen zijn al even verschillend. Wat aan de confrontatie met het dramatisch gegeven waarbij de kinderen van beiden betrokken zijn, een bijkomende dimensie verleent.

De zwaarwichtigheid van de vraag wat een ouder te doen staat wanneer een kind een gruwelijk misdrijf pleegt, dringt niet meteen tot de lezer door. Integendeel, die wordt door de auteur in staccatostijl verwend met hilarische lectuur: rake observatie van de potsierlijke rituelen en regeltjes in een toprestaurant waarop het hoofdpersonage cynisch reageert. Herkenbaarheid is er ook in een van de flashbacks waar de draak wordt gestoken met het in de Dordogne ‘leven als God in Frankrijk’, maar dan op zijn Hollands.

Dat ieder hoofdstuk als titel een onderdeel van het restaurantbezoek meekreeg – van het aperitief ‘van het huis’ en de hapjes, het voor-, hoofd- en nagerecht, de koffie en het digestief tot de fooi – is van aard om de leeshonger nog wat aan te scherpen. Al is dat echt niet nodig want Koch schrijft zo vlot en speels dat elkeen zijn proza moeiteloos verteert.

De problematiek, de aanleiding tot het diner, is nochtans wat anders. Aan het eind van het verhaal zit de lezer niet alleen met vragen over de rekbaarheid van de moraal, hij blijft ook op zijn honger omdat er op gerezen vragen geen antwoord komt. Herman Koch zaait handig twijfel met verwijzingen naar een psychische aandoening van het hoofdpersonage en trakteert de lezer met plezier op een genereuze portie zwarte humor.

 

Het laat zich raden dat de vinnige schrijfstijl zich binnen de Leeskring tot pittig voorlezen heeft geleend en al evenzeer dat de voorkeurpassages van de deelnemers dit keer wel degelijk verschillend waren.


  Wij en ik

Saskia De Coster

Het derde boek op de agenda van de vijfde jaargang van onze Leeskring was de veelgeprezen roman ‘ Wij en ik’ van Saskia De Coster. De bijna 400 pagina’s tellende familiekroniek won recent nog de ‘ Opzij Literatuurprijs’ na vorig jaar maandenlang stand te hebben gehouden in de top 10 van de best verkochte fictie. Amper twee weken na het verschijnen ervan was het boek zelfs al uitverkozen om mee te reizen naar de ‘Book Fair’ in Beijing, China. Uitgever en auteur zaten ook niet verlegen om een promotiestunt want op de dag van de publicatie van het boek startte ‘Project 397’ waarin Saskia De Coster zich engageerde  om dag na dag één pagina van haar boek publiek of voor de camera voor te lezen.

Over nu naar de mening van onze kringleden. Niet te voorziene omstandigheden – naar later bleek voor een van de leden van ons leesclubje een intrieste gebeurtenis – waren er oorzaak van dat de sessie een beperkt onderonsje is geworden. Op zich geen nadeel want nooit eerder was de gedachtewisseling zo intens. Frappant hierbij was dat de uitwisseling van de eerste, gevoelsmatige indrukken niet parallel bleek te lopen met de loftuitingen van de professionele recensenten. Een nadere, meer analytische bespreking mondde nadien toch uit in het besluit dat ‘Wij en ik’ in meer dan een opzicht een bijzonder boek is: de structuur is origineel, de stijl bijzonder, de taal vlijmscherp.

Naar inhoud is de roman de bundeling van drie levensverhalen van mensen in eenzelfde gezin: vader, moeder, dochter. Met aanvankelijk het treffend portret van een gootmoeder erbij, kan men zelfs gewagen van vier karakters. Al is duidelijk dat ‘Moemoe’ door de auteur vooral ‘gecast’ is om de lezer een beter inzicht te geven in de ziel van zoon Stefaan. Wat niet belet dat een van de sterkste passages in het boek het gesprek is dat de verbitterde oude vrouw, die haar lievelingskind verloor,  bij wijze van gebed voert met God.

Drie hoofdpersonages dus met de reeds geciteerde vader, een streber die zijn roeping als wetenschapper verzaakt om in de wereld vooruit te komen, maar in een topfunctie bij een multinational zijn ondergang tegemoet gaat. Mieke, de moeder die van betere komaf is, vervalt na de geboorte van een dochter in de status van een zichzelf wegcijferende huismus om pas na de dood van haar man open te bloeien tot een vrouw van de wereld. Dochter Sarah, het hoofdpersonage, vertelt het verhaal van een kind dat over-beschermd opgroeit in een milieu van schone schijn. Haar strijd is weerwerk bieden, zich bevrijden van de haar opgelegde beperkingen en het geluk zoeken in zelfstandigheid.

Enkele vondsten van de auteur (of van medewerkers?) typeren de personages op een originele manier. Zo worden de stemmingswisselingen bij de vader begeleid met verwijzingen naar liedjes van singer-songwriter Bob Dylan en wordt het neurotisch perfectionisme van Mieke in de verf gezet door haar manie dagelijks de franjes van de tapijten te kammen.

Omtrent dochter Sarah is de lezer geneigd zich de vraag te stellen in hoever de auteur met haar op de autobiografische tour is gegaan, zeker omdat Saskia De Coster er geen geheim van maakt dat zij als kind van haar tijd fan is geweest van Nirvana en de Amerikaanse gitaarrock, het muziekgenre waarin Sarah wegvlucht. Duidelijk is ook dat de auteur goed vertrouwd is met de leefwereld van villawijkbewoners in de op het platteland veroverde Vlaamse‘ verkavelingen’.

In essentie gaat ‘Wij en ik’ nochtans over de tegenstelling tussen het burgerlijk obligate wij-gevoel binnen een gezin, en de drang van het individu naar vrijheid en zelfstandigheid. Boeiend in de opvolging van dit voortschrijdend proces is de innerlijke strijd die mensen moeten voeren met traumatiserende ervaringen als de dood van een kind, de zelfdoding van een partner of ouder. De ultieme vraag of Sarah er in slaagt zich van die destructieve erfenis te bevrijden, blijft door het open einde van het boek onbeantwoord. Althans te dele.


   De naakte waarheid

Annet Buurman

Tussen genomineerde, geprezen en door jury’s bekroonde boeken in, heeft onze Leeskring het genoegen gehad een sessie te wijden aan ‘De naakte waarheid’ van Annet Buurman. Annet wie? Goed geraden, de goedlachse assistente aan de balie van onze 4-sterrenbib!

De novelle van een 80-tal pagina’s is Buurman’s eersteling, maar Annet is geen debutante aangezien zij al een aantal eerder gepubliceerde kortverhalen op haar actief had. ‘De naakte waarheid’ is trouwens  uit een van die kortverhalen gegroeid, iets wat de kringleden van de auteur mochten vernemen tijdens een bespreking die een gezellig onderonsje is geworden.

Op de website van de bib is vorig jaar al een vrij uitvoerige recensie gepubliceerd , zodat het thema hier tot de essentie kan worden gereduceerd. Harmen, het hoofdpersonage, is een ontslagen, met vervroegd pensioen weggestuurde oudere man die het na de dood van zijn vrouw zo goed en zo kwaad als dat kan probeert te redden. Tot hij op de eerste verjaardag van het overlijden van zijn Annie een aan haar gerichte brief aantreft. Afzender is een hem totaal onbekende Vincent. In de zoektocht naar die man in wie hij een minnaar vermoedt, komt Harmen tot de ontdekking dat hij op het pad van de ontrouw  wellicht zelf een stap verder is gegaan dan zijn vrouw.

Grote ophef heeft de novelle bij het verschijnen ervan niet gemaakt, maar onopgemerkt is die eersteling van Annet Buurman ook niet gebleven. Door een recensent werd de publicatie zelfs bedacht met twee en een halve sterretjes, wat lang geen onbeduidende score is als men bedenkt dat de jongste roman van een veel geprezen auteur als Tom Lanoy er drie heeft gekregen.

Een vast onderdeel in de Leeskringwerking is het voorlezen door ieder van de aanwezige leden van haar of zijn voorkeurpassage. Dat was voor ‘De naakte waarheid’ niet anders. Wat evenwel nooit eerder is voorgevallen, was dat, de auteur zelf inbegrepen, een meerderheid haar voorkeur heeft laten vallen op dezelfde pagina. Toeval? Een spoor van zielsverwantschap? Andere lezers van het boekje zullen het moeten uitmaken. Voor hen een kleine hint:  het gaat om niet meer dan een twaalftal tekstregels poëtisch proza met wolken in de hoofdrol. Het zijn zinnetjes die getuigen van literair talent dat trouwens ook al tot uiting komt in de eerste paragraaf van de proloog.

Details die het uit het leven gegrepen verhaal van een eenzame oude man toch wat opvrolijken , zijn van die kleine  pittige zinnetjes als ‘Geen treuriger aanblik dan een dode kerstboom op een koude steen in februari’, of de knipoog van de psychologe in ‘samen in de lift die veel te klein was om iets tegen elkaar te zeggen’.

O ja, toch ook nog iets over die schijnbaar banale titel. Om het niet te verklappen: de betekenis ervan wordt voor de lezer pas ten volle duidelijk  als hij het open einde van het verhaal voorbij is en er de epiloog bijneemt. Maar bij deze wordt dan aangemaand tot leesdiscipline en de lectuur van het opmerkelijke boekje liefst niet achteraan te beginnen.


Post voor mevrouw Bromley

Boeken over de Eerste Wereldoorlog liggen dezer dagen op vele leestafels en dat zal nog wel een hele tijd duren want de herdenking van de honderdste verjaardag van die vier jaar durende verschrikking moet in feite nog beginnen. Die belangstelling is trouwens terecht als men bedenkt dat die zinloze oorlog het leven heeft gekost aan miljoenen jonge mannen onder wie ook duizenden zogenaamde deserteurs die op bevel door hun kameraden zijn gefusilleerd.

Eerder toevallig had onze Leeskring vorig jaar reeds ‘Godenslaap’, het veelgeprezen magnum opus van Erwin Mortier, en het minder bekende ‘ Vlucht’ van Johanna Spaey besproken, maar na ‘Post voor mevrouw Bromley’ van Stefan Brijs waren de kringleden het er roerend over eens dat dit laatste boek hen het sterkst heeft aangegrepen.

Een kanjer van ruim vijfhonderd pagina’s mag velen dan al afschrikken, wie eraan begint zal het boek niet terzijde leggen. Het laat zijn lezer gewoon niet meer los. Het verhaal, in feite zijn het er twee in één,  is zo sterk en aan inhoud zo rijk dat het blijft boeien.

Het eerste deel van de roman speelt zich af in het Londen van de jaren 1914 en 1915 waar de gevoelige student literatuur John Patterson het mikpunt is van spot omdat hij zich in de toen heersende ‘oorlogseuforie’ niet laat meeslepen en er niet aan denkt zich als vrijwilliger te melden. Via deze ik-persoon leert de lezer de mensen kennen die in zijn leven een rol spelen: zijn vader, een postbode, met een eenzaam bestaan nadat zijn jonge vrouw in het kraambed is gestorven, de karaktersterke mevrouw Bromley, John’s voedster, haar zoon Martin, vriend én antipode van John, de dochters in het gezin Bromley met als oudste Mary op wie de verlegen John verliefd is.

Toneel van het tweede deel is het Frans-Vlaamse Arras waar John terecht komt nadat hij zich uiteindelijk toch als vrijwilliger heeft gemeld. Daar wil hij op zoek naar zijn verdwenen vriend Martin en wordt hij geconfronteerd met de gruwel van de oorlog. De tragische ontknoping van die zoektocht en de relatie van John met zijn getraumatiseerde luitenant leveren beklijvende passages lectuur op. Maar tussen alle tragiek door is er met subtiele verwijzingen naar literatuur nu en dan toch wat verademing, een vleugje poëzie en zelfs een spatje humor.

‘Post voor mevrouw Bromley’ is een episch verhaal dat stilistisch niet het niveau haalt van ‘Godenslaap’, maar zoveel levensechter is en Mortier’s meesterwerk in evocatieve kracht overtreft. Wie het boek leest, mag ervan overtuigd zijn dat het hem of haar bijblijft!


         

De leesclub

Renate Dorrenstein

De Leeskring heeft in 2013 zoals voorgaande jaren zes boeken besproken, of waren het er zeven? Op ‘De man zonder ziekte’ van Aron Grunberg volgden ‘Godenslaap’ van Erwin Mortier, ‘Grip’ van Stefan Enter, ‘Vlucht’ van Johanna Spaey, ‘Dit zijn de namen’ van Tommy Wieringa en ‘Kleine dagen’ van Bernard Dewulf. Samen dus de per jaar nagestreefde zes titels, maar in de maand december gunden onze leeslustige kringleden zich met ‘De leesclub’ van Renate Dorrenstein nog een knotsgek toetje. Noem het een oek, een boek met een hoek af.

In ‘De leesclub’ maakt de auteur in honderd pagina’s een karikatuur van zes leesclubvriendinnen en hun lievelingsauteur Gideon de Wit met wie ze langs de Schotse kusten een cruise willen maken ‘in de geest van Moby Dick’. Wie het boekje leest voor het verhaal, ergert zich aanvankelijk over de onwaarschijnlijkheid ervan, maar al snel wordt duidelijk dat de story vraagt om gelezen te worden als een onderhuids met zelfspot en (milde) kritiek op het schrijversgild gekruide grap. Veel moeite kost het trouwens niet om in de lievelingsauteur van de dames van middelbare leeftijd bepaalde hebbelijkheden te onderkennen van beroemde schrijvers als een Harry Mulisch en een A.F.TH. van der Heijden.

Leuk is dat het boekje verrassend veel meer te bieden heeft dan het groteske verhaal. In de eerste plaats is er een dertigtal pagina’s tellende bundeling van voetnota’s die gerust afzonderlijk mogen gelezen worden als een plezierige reisgids. Een aanrader voor wie de mooiste plekjes van Schotland en de geheimpjes van de Schotse ziel wil ontdekken. Anekdotes uit de eerste hand want Renate Dorrenstein heeft een langdurige relatie gehad met een Schot en heeft vaak in het land verbleven.

De uitgave bevat ook een vrij uitgebreid interview met de auteur van het boek. Een van de kringleden, die geneigd was zowel de vragen als de antwoorden de auteur toe te dichten, bleek met zijn vermoeden niet alleen te staan.

Tenslotte worden leesclubs ook nog een aantal discussie-items aangereikt waardoor het ‘oek’ in de letterenoogst een plaats mag krijgen als een lezenswaardig curiosum. Hier zat onze leeskring evenwel niet op te wachten want met afwisselend een Nederlandse en een Vlaamse auteur op het programma, blijven er nog zoveel boeiende en literair hoger gequoteerde  boeken te lezen en te bespreken. In 2014 te beginnen met ‘Post voor mevrouw Bromley’ van Stefan Brijs, een stevige roman over ouders en kinderen tijdens de Eerste Wereldoorlog.


Kleine dagen

Bernard Dewulf

Als nummer zes en voorlaatste van het jaar heeft onze Leeskring op dinsdag 5 november het boek ‘Kleine dagen’ van dichter en essayist Bernard Dewulf besproken.

‘Kleine dagen’ leest als een verzameling van korte, losse stukjes waarin de auteur-vader zijn twee jonge kinderen, een jongetje en een meisje, in hun evoluerende leef- en denkwereld observeert en daarover reflecteert. Pas achteraf stelt de lezer(es) vast dat, waar hij/zij dacht mondjesmaat te hebben genoten van literaire hoogstandjes, in de oordeelkundige bundeling ervan op de koop toe een levensecht verhaal heeft gekregen van een gezin met jonge kinderen in een huis met een tuin.

Wat het lezen van dit boek prettig maakt, is de opeenvolging van vele korte hoofdstukjes waarin met wisselende aandacht voor de jongen en het meisje, dagdagelijkse kleine dingen worden beschreven. De benadering van die dingen is vaak origineel omdat de auteur zijn observaties filosoferend kleurt met vragen bij onze leefgewoonten en taalgebruik.

De lenige schrijftaal met vaak poëtische accenten waarmee de inhoud meesterlijk is verpakt, maakt de lectuur tot een fijne ervaring. In een ietwat kritischer beoordeling waren sommige kringleden wel van mening dat bepaalde stukjes bij een ietwat dieper gaande uitwerking nog hadden kunnen winnen.

Wat anderen dan weer is opgevallen, is het verschil in aandacht van de auteur-vader voor zijn zoontje en voor zijn dochtertje. In het ene kind gaat hij op zoek naar zijn jongere zelf, bij het andere ziet hij met verwondering al de eigenschappen van een vrouwtje.

Dat onze Leeskring met een positieve eindbeoordeling niet alleen staat, moge  blijken uit de meer dan honderd ‘ratings’ op het wereldboekenforum ‘Goodreads’. Bij de toegekende vier en vijf sterren horende commentaar is er sprake van een juweeltje, van een heel bijzonder boek, van kleine dagen, grote parels, van wondermooi en van kort-mooi-herkenbaar. Wat is er meer nodig om het boek, dat bekroond werd met  de Libris Literatuur Prijs 2010, aan te bevelen?


Dit zijn de namen

Tommy Wieringa

Het na de zomervakantie eerste boek dat de Leeskring op 1 oktober heeft besproken, was de met de Libris literatuurprijs 2013 bekroonde roman van de Nederlandse auteur Tommy Wieringa (46).

‘Dit zijn de namen’ is een beklijvend boek, een sterk verhaal geschreven in een vlot leesbare, beeldrijke taal. Eigenlijk alweer een boek om tweemaal te lezen: een eerste keer om de spanning van het verhaal, een tweede keer om de stilistische hoogstandjes te doorproeven.

De inhoud van het boek kan moeilijk beter worden samengevat dan met het hierna volgend uittreksel van het juryrapport: “ …de vluchtelingen – vuile, uitgehongerde verschijningen – die Wieringa in zijn roman door een onbestemde steppe laat dolen, dragen aanvankelijk geen namen. Deze eenlingen die elkaar toevallig hebben gevonden worden ‘de jongen’, ‘de vrouw’, ‘de lange man’, ‘de stroper’, ‘de man uit Asjchabad’, ‘de Ethiopiër’ genoemd. Hun identiteitspapieren hebben zij verscheurd, ze fungeren als vooruitgeschoven posten van hun familie, hun dorp, hun gemeenschap. Zij staan voor de velen die door een uitzichtloze thuissituatie gedwongen zijn tot een zoektocht naar een betere wereld”. Kan het actueler?

Bedrogen als zij zijn door mensensmokkelaars zullen zij – op ‘de jongen’ na? – nooit de bestemming bereiken die zij hadden gedroomd. Een reis die twaalf uur zou duren, wordt er een van vele maanden in barre, onmenselijke omstandigheden. Hun menselijke waardigheid gaat verloren onder het recht van de sterkste, stervenden worden beroofd.

Wanneer de overlevenden uiteindelijk aankomen in Michailopol, een vervallen industriestad aan de rand van de voormalige Sovjetunie, wacht hun de cel en de lokale politiechef Pontus Beg, de hoofdfiguur van de tweede verhaallijn, met wie de lezer al veel eerder kennis heeft gemaakt. Ieder hoofdstuk over de vluchtelingen wordt immers afgewisseld met het verhaal van de handel en wandel van die politieambtenaar in een samenleving waar corruptie hoogtij viert. Pontus Beg heeft er vrede mee tot hij op een dag in de uitoefening van zijn ambt in contact komt met de laatste Rabbijn in zijn stad, een oude man die op zijn manier weet te overleven. Gesprekken brengen de twee nader tot elkaar, vooral nadat Pontus zekerheid krijgt over de Joodse afkomst van zijn moeder. Het besef dat ook hij dus deel uitmaakt van het eeuwenoude uitverkoren volk, wekt in hem de ultieme betrachting eens het bad te kunnen betreden waarmee niet alleen het lichaam maar ook zijn Joodse ziel een reinigingsbeurt kan krijgen.

Op de weg naar zijn bekering ziet de politiechef in de zoektocht van de vluchtelingen een gelijkenis met de Bijbelse tocht door de woestijn van zijn volk en zo droomt hij voor ‘de jongen’ voor wie hij vaderlijke gevoelens is beginnen koesteren, een toekomst die hij voor zichzelf niet meer ziet weggelegd.

De meningen van de ‘leekringers’  over het boek waren eerder verdeeld, maar dat bleek dan vooral te maken te hebben met de inschatting van het waarheidsgehalte van de inhoud en afwijkende interpretaties van de allegorische betekenis ervan. Wanneer de vluchtelingen het hoofd van de door hen (als zoenoffer?) vermoorde Ethiopiër meesleuren als gids en geluksbrenger, is er een flinke dosis verbeelding nodig om, zoals Pontus Beg doet, daarin de afbeelding te zien van de Joden die in hun tocht door de woestijn het gebeente van Jozef meedroegen naar het beloofde land.

De zoektocht van de mensheid naar het ‘beloofde land’, het paradijs, de eindbestemming is van alle tijden. Centraal in het boek van Wieringa staan mens en samenleving.Maar zoals doorheen de geschiedenis onveranderlijk het geval is, blijft het met die samenleving mis gaan. Vandaar de blijvende zoektocht naar beter, naar een plek die eigenlijk niet te vinden is en voor de mens dan ook existentiële vragen oproept.

In een essay heeft Milan Kundera, de auteur van ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ ooit gesteld dat de roman niet de waarheid, maar het bestaan onderzoekt. Het bestaan, schrijft hij, is niet wat er gebeurd is, het bestaan is het hele scala van mogelijkheden, van alles wat de mens kan worden, van alles waartoe hij in staat is. Door deze of gene menselijke mogelijkheid te ontdekken, tekenen romanschrijvers de ‘kaart van het bestaan’. Zeer toepasselijk op ‘Dit zijn de namen’ van Wieringa.


 Vlucht Johanna Spaey

 

Er zijn van die boeken die men beter tweemaal leest alvorens er een waardeoordeel over uit te spreken. Tot die conclusie is onze Leeskring gekomen bij de bespreking van ‘Vlucht’ van Johanna Spaey, een nauwelijks 160 pagina’s tellende roman die zich afspeelt tijdens en kort na de Eerste Wereldoorlog. Mogelijke verklaring: de bijzonder vlotte, journalistieke schrijfstijl van de auteur die de lezer in een dusdanig comfort installeert dat hij bij een eerste lectuur alleen maar oog heeft voor de als de spreekwoordelijke trein lezende verhalen… Verhalen? Inderdaad en zelfs vier: twee ultra korte en twee langere die dan nog opgedeeld zijn in 30 respectievelijk 16 hoofdtukjes!

De vier verhalen passen in elkaar met een proloog en een epiloog vanuit het perspectief van twee mannelijke nevenpersonages – een naamloze jonge Duitse soldaat en Leon, een over de grens naar Nederland gevluchte Belgische officier -  en twee novellen vanuit het standpunt van de vrouwelijke protagonisten-antipoden Marieke en Sybille.

De gruwelijke proloog en de verhelderende epiloog tellen samen slechts zes pagina’s, maar die getuigen wel van literair talent.

Om het verhaal van de vrouwen even te duiden: Marieke is een ongehuwde jonge moeder die in 1914 in Leuven bij een represaille voor haar ogen haar ouders en jonge tweelingzoontjes ziet doodschieten. Zij wordt gered en slaat kort daarna verward op de vlucht. Tot zij  terecht komt in Oosterhout bij een hotelhoudster met twee zoons en dochter Sybille, een naar passie hunkerende vrouw die wacht op de avances van een gast, de gevluchte Belgische officier Leon.

Het verhaal van Marieke, een ongeletterde maar aantrekkelijke jonge vrouw die zich lethargisch verliest in seks met mannen van alle slag, is schrijnend. Voor haar komt er nochtans een keerpunt ten goede. Niet voor Sybille die verbitterd intreed in een klooster maar er na de oorlog, verteerd door onvervuld verlangen, uit wegvlucht om in Leuven op zoek te gaan naar Leon.

Zoals een lid van de Leeskring zeer gevat deed opmerken, gebeurt het hoogst zelden dat de titel van een boek, in dit geval het monosyllabisch woord vlucht een vlag is die volkomen de lading dekt. Alle personages die een rol spelen zijn letterlijk en figuurlijk op de vlucht. Voor omstandigheden en voor zichzelf.

‘Vlucht’ van Johanna Spaey weet ook te boeien door de minder bekende context van toestanden die zich tijdens de Eerste Wereldoorlog hebben voorgedaan in het neutrale Nederland van koning Willem. Belgische vluchtelingen werden daar aanvankelijk hartelijk en gastvrij ontvangen maar na verloop van tijd werden de blijvers ondergebracht in kampen waar het leven geen pretje was. En denk niet dat de locaties verzonnen zijn. Nunspeet bestaat echt. Op de natuurschone Veluwe nog wel.


Image preview

Dat de jonge Nederlandse auteur Stephan Enter met Grip vorig jaar genomineerd was én voor de AKO-literatuurprijs én voor de Gouden Boekenuil, heeft geen van de leden van onze Leeskring verbaasd. Het boek is een stijlvoorbeeld, het boeit en doet nadenken. Misschien is het wat te compact van inhoud om alles wat er in besloten ligt op te nemen en snel te verwerken? Het is ook zoveel tegelijk: nu eens houdt Grip je in zijn greep als een spannend verhaal, dan weer is het een verleidelijke reisgids die je met de trein door Wales voert of meeneemt  naar het hoogland van de Lofoten met ijle lucht en noorderlicht. En dan wordt er tussendoor nog wat gefilosofeerd ook.

In drie hoofdstukken herbeleven drie veertigers, Paul, Vincent en Martin, een ingrijpende gebeurtenis van twintig jaar eerder toen zij samen met Lotte, de jeugdvriendin van Vincent, op bergsportvakantie waren in het hoge Noorden. Aan die avontuurlijke tocht kwam abrupt een eind toen het meisje in een levensbedreigende situatie belandde waaruit zij door Paul gered werd. Was de val, waarbij zij een gebroken arm opliep, een ongeluk of een wanhoopsdaad? Feit is dat de liefde die zij had laten blijken voor Vincent kort voordien was afgewezen. Toen de jonge mannen dan het lot lieten beslissen wie van hen zich over het meisje zou ontfermen, was het Martin die haar naar huis vergezelde en kort nadien met haar trouwde. Van hem kwam ook het initiatief van een reünie die hij buiten medeweten van Lotte had georganiseerd.  Zo krijgt het verhaal dan gestalte in flash backs waarbij de drie mannen ieder een hoofdstuk voor hun rekening nemen.

Het weerzien van de drie mannen eindigt in een dramatische climax nadat Martin, die vergezeld was van zijn dochtertje, van het kind aan Vincent een foto toonde die hem confronteert met een Lotte in wie hij zijn jeugdvriendin niet meer herkent. Een klimpartij tegen een klif aan laat voor hem een fataal einde vermoeden. Met een prangend accurate beschrijving van dit moment demonstreert de auteur dat hij met bergsport vertrouwd is. Wat trouwens eerder ook al gebleken was uit  het zeer gedetailleerd relaas van het ‘ongeluk’ dat Lotte twintig jaar eerder was overkomen.

Het boek verrast de lezer meer dan eens met originele zijsprongetjes. Zo vangt het verhaal aan met een sfeerbeeld van het Brussels zuidstation zoals alleen een Nederlander dat zal schetsen. Een vondst is ook het gesprek dat Paul en Vincent op de treinreis doorheen Engeland indirect met elkaar voeren via een gezelschap scholieren: in hun antwoorden op vragen van die jonge mensen tasten zij naar elkaars  reacties. Subtiel beschreven is de gedraging van het eigenwijze dochtertje van Lotte tijdens het oponthoud ingevolge een lijnbus met pech…

Maar wat is nu uiteindelijk de boodschap van dit boek met een ‘open einde’? Zonder uitzondering misten alle leden van de kring een vierde hoofdstuk dat met Lotte’s versie van het verhaal voor een ‘ontknoping’ had kunnen zorgen. Misschien is dit gemis wel de sleutel naar de essentie van het boek: de onbarmhartig verstrijkende tijd en de vergankelijkheid van het leven waar de mens geen vat op heeft. De vervaging ook van de herinnering en het besef ervan dat door de uit beeld verdwenen Lotte op de Lofoten doodeenvoudig werd verwoord in dat ene kleine zinnetje: ‘ Zo gelukkig zullen wij nooit meer zijn’.

De eerstvolgende bijeenkomst van de Leeskring is vastgesteld op dinsdag 18 juni. Het te bespreken boek is Vlucht van de Vlaamse romancière Johanna Spaey, die onlangs nog te gast was in Passa Porta naar aanleiding van de succesdocumentaire Ten Oorlog op Eén (vrt)


Godenslaap                                                                                                                                                                      

Erwin Mortier

Groter contrast met het vorige boek – ‘De man zonder ziekte’ van Arnon Grunberg - was nauwelijks denkbaar. ‘Godenslaap’ is alles behalve consumptielectuur, het is Literatuur. Niet dat de boeken van Grunberg niveau missen, wel in tegendeel. Maar zoals de jonge Nederlander schrijft,

zo wordt hij gelezen: vlot en snel. Mortier daarentegen stelt de lezer(es) op de proef met een wat archaïsch aandoende maar o zo verfijnde taal en dwingt hem/haar tot leesonthaasting. Iemand zei: ‘Godenslaap is een boek om mondjesmaat luidop te lezen’. Met een ruim vierhonderd pagina’s tellend boek zou dat meer dan een leesmarathon betekenen.

De leden van de Leeskring hebben dan ook moeten ervaren dat ‘Godenslaap’ concentratie vergt en dat het aanvankelijk enige moeite kost om aan de doorwrochte schrijfstijl van de auteur te wennen. De op te brengen inspanning wordt dan wel ruimschoots beloond: het is voortdurend genieten van met metaforen verrijkt poëtisch proza.

‘Godenslaap’ is het levensverhaal van een hoogbejaarde vrouw die terugblikt op haar lange leven dat begon bij de aanvang van de twintigste eeuw. Als kind van een Noord-Franse boerendochter en een Vlaamse koopman groeit zij, samen met een broer, op in een bourgeoismilieu waar de dubbele moraal hoogtij viert. Tijdens de Groote Oorlog verblijven Helena en haar moeder op de herenboerderij van haar grootouders ergens in Picardië. Met een Engelse frontreporter-fotograaf keert zij naar de geteisterde provinciestad Ieper terug waar de oorlog de geliefden in elkaars armen drijft. Na de oorlog gaat het leven verder en Helena, het hoofdpersonage, overleeft in het interbellum en nog tientallen jaren later iedereen, zelfs haar dochter. Als oude dame met huishoud- en verplegingshulp, wacht zij op haar dood en overschouwt  aan de hand van in dozen opgeborgen schriftjes haar leven.

Erwin Mortier heeft als romancier zijn personages goed gekozen: de karaktervaste Helena, haar dominante moeder, haar homofiele broer, haar polygame oom, haar zelfverzekerde dandy van een (Engels)man, de ingoede Rachida, de Marokkaanse verpleegster-huishoudster.

Bij de bespreking van het boek is van gedachten gewisseld over een mogelijke titelverklaring. Eén lid van de Leeskring had er in het boek zelfs drie aangetroffen, een eerste zelfs heel in het begin, maar de meest expliciete staat toch wel te lezen aan het eind van het boek: “ Het grootste deel van onze geest is een Indische god die zich uitstrekt in de alerte slaap van een kat, met stomheid geslagen maar allesbehalve doof en alziend als het moet”…

Dat Mortier bij het schrijven van zijn ‘magnum opus’ alle taalregisters heeft opengetrokken, kwam zeer duidelijk tot uiting toen de aanwezige kringleden zoals gebruikelijk hun voorkeurpassage voorlazen. Eén iemand had  die al na enkele bladzijden van het vierhonderd pagina’s tellend boek aangestreept. Een meerderheid had ze aangetroffen over halfweg, en een vijfde had uit een keuze van passages de laatste overgehouden. Ieder zijn mening en daardoor leren van, en over de ander. Het maakt van de Leeskring in het blauwe salonhoekje van onze bib telkens opnieuw een belevenis.

 


 

De man zonder ziekte                                                                                                                                                     

Arnon Grunberg

Onze Leeskring is op 5 februari zijn derde activiteitjaar begonnen met de bespreking van  Arnon Grunberg’s recentste roman: ‘De man zonder ziekte’. Een aanrader van een boek, zeker voor wie nog niet eerder kennis heeft gemaakt met het werk van een van de bekendste hedendaagse Nederlandse schrijvers, een man van 42 maar met nu al een indrukwekkende bibliografie: een dozijn romans, toneelstukken, essays en poëzie. De aantrekkingskracht van ‘De man zonder ziekte’? Helder, vlot lezend proza, een eigentijds verhaal dat leest als een thriller, maar naar inhoud minstens dubbel gelaagd is.

De man zonder ziekte is de tragiek van Sam, een jong Zwitsers architect, fysisch en mentaal zonder gebreken, maar in zijn naïviteit kwetsbaar omdat hij alleen maar in de waarheid zijn verweer ziet. Een Westerse ‘waarde’ in botsing met de mentaliteit in de Golfstaten?

Als jong architect die er naar streeft de ruimte de ideale vorm te geven, krijgt Samarendra Ambani, zoon van een Indiase migrant, tot tweemaal toe een belangrijke opdracht in het Midden Oosten. Eerst in Bagdad voor welke stad hij een operagebouw mag ontwerpen, later in Dubai waar het om een monumentale bibliotheek, annex ondergrondse bunker, te doen is. Tweemaal loopt het mis omdat in hem een spion wordt gezien. In Irak ondergaat hij gelaten de ergste vernederingen. In Dubai gaat het er ‘beschaafder’ aan toe, maar bekoopt hij zijn rechtlijnigheid met zijn leven.

Zoals Grunberg-fans dat van hem gewoon zijn, is de schrijver onbarmhartig in het portretteren van zijn personages. Maar ofschoon van Sam niets verborgen blijft, zit de lezer met vragen. Is de op beleefde omgangsvormen gestelde jongeman die niemand voor het hoofd wil stoten, het slachtoffer van zijn zwakke persoonlijkheid? Handelt het boek in essentie over de identiteitscrisis van mensen die in gevangenschap gefolterd worden? De Leeskringleden zijn er niet uitgeraakt, ofschoon geen van hen het boek on-uitgelezen terzijde had gelegd. Integendeel, uit de voorgelezen voorkeurpassages is gebleken dat er divers leesplezier te beleven was aan de inhoud van het boek, aan de taal en de stijl van de auteur, aan de rake typeringen van de nevenpersonages, aan hilarische situatieschetsen, aan de subtiele hekeling van de Zwitserse neutraliteit en, niet om mee te lachen, aan het overal tot uiting komend racisme.

 


Orlanda  

Jacqueline Harpman

Met ‘Orlanda’ van Jacqueline Harpman (1929-2012) heeft onze Leeskring zijn eerste dozijn volgemaakt.

Waarom Jacqueline Harpman? Omdat deze schrijfster-psychoanalytica altijd nauwe banden heeft gehad met Ukkel. Ook nu nog want haar stoffelijk overschot rust in het gemeentelijk doden-dal Verrewinkel en haar nagedachtenis wordt geëerd in de Franstalige gemeentelijke Bibliothèque et Médiathèque “Le Phare”.

De aanleiding om ‘Orlanda’ te bespreken was de ‘beeldige’, lees origineel geïllustreerde reportage die An Devroe de voorbije zomer in de stadskrant Brussel Deze Week heeft gewijd aan Harpman’s werk in het algemeen, en ‘Orlanda’ in het bijzonder. Het volstaat te herinneren aan titel, boventitel en onderschriften bij de foto’s: ‘De romans van Jacqueline Harpman lezen als een wandeling door Brussel’, ‘De geheime gangen in Brussel en in onszelf’, ‘Bij ijssalon Zizi, hoek Vanderkinderestraat/Onderlinge Bijstandstraat. Hier spreken Orlanda en Aline af’, ‘Op een bankje op het Constantin Meunierplein kijkt Orlanda naar boven, naar de derde verdieping’, ‘Het appartementsgebouw op de hoek van het Meunierplein en de Molièrelaan. De symmetrie van het gebouw en de gebouwen eromheen doet Harpman mijmeren over onze spiegelende helften, mannelijk/vrouwelijk’…

‘Orlanda’ is geen gemakkelijke lectuur. Het boek vergt van de lezer concentratie en volharding, maar voor die moeite wordt hij/zij dan ook ruim beloond. Niet alleen door een origineel en gedurfd verhaal, maar evenzeer door enkele literaire hoogstandjes waarmee de auteur tegelijkertijd haar eruditie en belezenheid illustreert.

Is de roman een repliek op ‘Orlando’ van Virginia Woolf? Een paar expliciete verwijzingen krijgen de betekenis van een hommage aan de Britse feministe die in 1941 uit het leven stapte. Waar de psychoanalytica Harpman een antwoord probeert op te geven, is op de vraag hoe een vrouw zich voelt in het lichaam van een man. Wat dan bij de lezer de vraag kan oproepen hoe iemand nog over zichzelf kan spreken, wanneer hij of zij zichzelf niet meer is? Concreter uitgedrukt: wat blijft er van de persoonlijkheid van een mens over als hij van geslacht verandert?

Dat een appreciatie over een individueel gelezen boek na duiding vanuit professionele hoek grondig kan wijzigen, bewees de bijzonder boeiende gedachtewisseling die op de rondvraag naar een bondig persoonlijk oordeel is gevolgd.

En nadien wierp het traditie geworden  voorleesmoment van de voorkeurpassage ook nog eens licht op de veelzijdigheid en de inhoudelijke rijkdom van het boek. De voorliefde voor één bepaalde passage mocht dan wel door een paar deelnemers worden gedeeld, wie het laatst aan de beurt kwam had er niet eens zo toevallig nog een andere in reserve.


 

Een schitterend gebrek

                                                                                                                                                             

Arthur Japin


Te oud voor kamperen en andere verhalen

Louis Paul Boon

Niet alleen in Aalst maar ook daarbuiten is dit jaar met tal van culturele manifestaties herdacht dat de ‘averechtse kunstenaar, verzamelaar, romanschrijver en dichter’ Louis Paul Boon 100 jaar geleden werd geboren. Voor de Leeskring een uitgelezen moment om kennis te maken met zijn werk.

Waar aanvankelijk was gedacht aan ‘Het Geuzenboek’, door velen beschouwd als zijn ‘magnum opus’, werd uiteindelijk gekozen voor een verondersteld luchtig vakantieboek met als titel: ‘Te oud om te kamperen? en andere verhalen’. Onder het motto ‘voor elk wat wils’ een goede keuze? Niet meteen voor lezers met wortels in andere culturen, zo is gebleken. Zij ondervonden moeite met zijn manier van omgaan met de taal, met woorden waarvan de betekenis soms moeilijk te achterhalen was en vooral met de toch wel zeer persoonlijke stijl.

Het rauwe realisme van Boon werd bij zijn debuut door de goegemeente nauwelijks aanvaard, maar wie thans getuigenissen leest van gevierde hedendaagse Vlaamse schrijvers als Dimitri Verhulst, Leo Pleysier, Walter Van Den Broeck of Luuk Gruwez, kan moeilijk anders dan zijn talent erkennen.

Om Louis Paul Boon te leren kennen, kan men het best terecht bij zijn biograaf Kris Humbeeck: ‘Boon ging aanvankelijk de worsteling aan met de moderne wereld en de stad, maar het belette hem niet in een villaatje (Isemgrimus) te gaan wonen in buurgemeente Erembodegem. Twintig jaar later voelde hij zichzelf daar als de oude wolf die het onderspit heeft moeten delven. Ondanks zijn succes als schrijver voelde Boon zich in zijn missie ‘de mensen behoeden voor de illusie van de vooruitgang’ mislukt. De erkenning kwam laat en daar is hij wrokkig om gebleven.’

‘Te oud om te kamperen?’ is een van de boekdelen in de lopende heruitgave van Boon’s complete literaire oeuvre. Het bevat naast het titelverhaal ook ‘Maagpijn’, ‘Uitleen-bibliotheek’ en het driedelig ‘Menuet’ (De vrieskelders, Mijn planeet en Het eiland).  Via de leden van de Leeskring die bereid waren een voorkeurpassage voor te lezen, ontdekten de anderen een Boon die anders en beter was dan degene die zij geprobeerd hadden te lezen…

Algemeen was iedereen het ook eens met de inleider die poneerde dat men het boek best van achter naar voor had kunnen lezen. Waarmee hij bedoelde het ‘Nawoord’ vooraf lezen omdat hierin de hele context wordt verduidelijkt. Alleszins zeer nuttig voor wie niet vertrouwd is met de proletarische fabrieksstad Aalst vóór, tijdens en na de tweede wereldoorlog.

 


 

De Verdovers

Anna Enquist

 

Verdover is een zelfstandig naamwoord dat (nog) niet voorkomt in de officiële woordenlijst van de Nederlandse taal. Een beetje vreemd toch, want niemand heeft moeite met verdoven, verdoving, verdovingsmiddel of verdovingsspuit. Anesthesie, anesthesiologie, anesthesioloog of anesthesist mogen de meeste mensen dan al vertrouwd in de oren klinken, het zijn toch eerder aan de geneeskunde, de wetenschap gerelateerde woorden. Misschien zal de Nederlandse schrijfster, dichteres en romancière Anna Enquist school maken met de titel van haar boek.

Het is in onze bibliotheek op 15 mei rond ‘De Verdovers’ met uiteenlopende meningen en  genuanceerde appreciaties, best een geanimeerde sessie geworden. Opvallend was dat geen van de kringleden zin heeft gehad het boek een tweede keer te lezen, iets wat bij leeslustige mensen toch wel eens vaker het geval blijkt te zijn. De door iedereen finaal onderschreven beoordeling luidde niettemin dat deze roman over de ‘ongrijpbaarheid van gevoelens’ beslist lezenswaardig is en dus aanbeveling verdient. Niet alleen omdat de personages en hun verhaal weten te boeien, maar ook omdat het boek inzicht bijbrengt over werken en leven in een ziekenhuis. Een lezer met behoorlijk wat ziekenhuiservaring had het over confronterende lectuur.

‘De Verdovers’ begint bij een psychiater die na het overlijden van zijn vrouw de draad opnieuw probeert op te nemen. Als patiënt krijgt hij een student in leertherapie over de vloer, maar het wil tussen die twee niet vlotten. Als de jongeman van studierichting verandert, komt hij als assistent-anesthesiologie terecht bij de zus van de psychiater. Hier klikt het wel. De wederzijds aantrekkingskracht is zelfs zo groot dat er een verhouding ontstaat. Tot blijkt dat de dochter van de anesthesiste met de labiele student samenwoont. Uiteindelijk leiden de onderlinge relaties naar een situatie met fatale afloop.

Niet onbelangrijk is te weten dat de roman tot stand gekomen is binnen een project ‘Schrijvers op de Afdeling’ waarbij de auteur de kans kreeg lange tijd met dokters en verpleegkundigen in het ziekenhuis mee te lopen tot in het operatiekwartier. Als psychoanalytica koos Anna Enquist voor de Afdeling Anesthesiologie omdat de anesthesist de patiënt ‘gevoelloos’ maakt terwijl de psychiater er juist naar streeft de gevoelens naar boven te halen en te doen uiten. Een fundamentele vraag is hoe de mens ingrijpende gebeurtenissen in zijn leven het best verwerkt: verdringen of bovenhalen, verdoven of juist voelbaar maken.

Wat de ene lezer in het boek boeit maar een ander minder aanspreekt, zijn de talrijke uitweidingen over medisch-technische handelingen in het operatiekwartier. Die reportageachtige beschrijvingen hebben in het verhaal wel meestal hun plaats, maar zij gaan dan toch ten koste van wat bij de lezers van Anna Enquist anders juist het meest wordt gewaardeerd: haar vermogen om menselijke gevoelens literair te vertolken.


Suikerspin

Erik Vlaminck

De Leeskring van onze ‘bib’, die afwisselend een boek van een Nederlandse en een Vlaamse auteur bespreekt, heeft zich op 20 maart met “Suikerspin” van Erik Vlaminck begeven in het toch wel heel aparte wereldje van het kermisvolk.

Het harde, in het verleden en nu opnieuw in toenemende mate marginaal foorkramers-bestaan wordt door de auteur in al zijn facetten onverholen belicht in een roman die over drie generaties de geschiedenis vertelt van de familie Van Hooylandt. Daarin is het schrijnend verhaal verwerkt van een vrouwelijke Siamese tweeling: een kermisattractie ter illustratie van toestanden zoals die zich in de eerste helft van de twintigste eeuw hebben voorgedaan.

De ‘Leeskringers’ waren unaniem van oordeel dat zij een boek hadden gelezen dat in zijn genre in ons taalgebied uniek is. De romanconstructie is in een opeenvolging van korte hoofdstukken waarin de protagonisten als het ware stukje bij beetje hun zelfportret borstelen, hoogst origineel. Opvallend hierbij en illustratief voor het inlevingsvermogen van de auteur, is het taalgebruik van de personages. Bovendien komt de eigenheid van het ‘Vlaams’ nog extra tot uiting in tal van plastische uitdrukkingen.

Een andere verdienste van de auteur is dat hij de lezer een inkijk geeft in het dagelijks leven van het rondreizend kermisvolk. Hij moet zich hiervoor heel wat researcharbeid hebben getroost. Wat ervan bijblijft, is dat vrijheid in zelfstandigheid, maar ook verbondenheid en solidariteit kenmerkend zijn voor het ‘barakkenvolk’.

Dat er in dit weinig aan de verbeelding overlatend boek naast rauwe, ook ontroerende uittreksels te vinden zijn, bleek uit de voorlezing van de persoonlijke voorkeurpassages door de leden.

 


 

De verdronkene

Margriet de Moor

Begin 2013 zal het zestig jaar geleden zijn dat een rampzalige stormvloed in zuidwest Nederland het leven heeft gekost aan 1.835 mensen. Er zijn over deze tragedie heel wat boeken verschenen, maar wat de pas in 2005 uitgegeven roman van Margriet de Moor bijzonder maakt is dat hij in een origineel totaalconcept fictie combineert met gedetailleerde informatie over de reële context waarin het verhaal zich afspeelt. Het is duidelijk dat de auteur zich geen studie- en researchmoeite heeft gespaard.

‘De verdronkene’ is een roman met twee verhaallijnen die in de tijd ongelijk parallel lopen. Twee zussen, Lidy en Armanda, zijn elkaars spiegelbeeld. Op een winterdag eind januari 1953 doet Lidy in de plaats van haar zus een autorit van Amsterdam naar Zierikzee en komt daar terecht in een natuurramp die zij niet overleeft. Thuis, in Amsterdam, neemt Armanda   haar plaats in. In tijd uitgedrukt speelt het verhaal van Lidy zich af binnen een verloop van 48 uur, dat van Armanda neemt de vorm aan van een familiekroniek die zich uitstrekt over een lang leven. In spiegels en spiegelingen.

Dat het hier om een lezenswaardige roman gaat, is een mening die door alle leden van de kring werd gedeeld. Onder literair oogpunt mag het boek dan al geen hoogvlieger zijn,  het thema en de uitwerking ervan wisten zeker te boeien.

Merkwaardig in de bespreking was de quasi eensgezindheid om het toegevoegde hoofdstuk – het ‘responsorium’ waarin de stervende Armanda in dialoog treedt met een in haar als het ware ondergedoken Lidy  – als overbodig af te wijzen. Anderzijds is uit de door de deelnemers om beurt voorgelezen persoonlijke voorkeurpassage nog maar eens gebleken hoe lectuurbeleving van persoon tot persoon kan verschillen. Zelfs al bleek in dit geval het boek door iedereen rond dezelfde wintertijd te zijn gelezen.


Dinsdag 13 december 2011

‘Bittere bloemen’ van Jeroen Brouwers

Met ‘Bittere bloemen’, de recentste (en laatste?) roman van Jeroen Brouwers had de Leeskring niet bepaald voor een ‘gemakkelijk’ boek gekozen. Dat bleek al meteen bij een eerste algemene ‘round up’. Het jongste Leeskring-lid bekende ootmoedig het boek terzijde te hebben gelegd. Bij anderen waren de meningen verdeeld over moeilijk en bitter tot subliem. Een nieuwkomer in het gezelschap had het boek tweemaal gelezen en had in de gedachtewisseling dan ook meteen een antwoord klaar op vragen waarmee sommigen waren blijven zitten.

Waarover iedereen het roerend eens bleek te zijn, was dat ‘Bittere bloemen’ geschreven is door een taalvirtuoos die als stylist door weinigen overtroffen wordt. (De roman is intussen terecht bekroond met de Literatuurprijs 2011 van de Vlaamse provincies)

‘Bittere bloemen’ is het tragikomische, soms wrange verhaal van een oude man die geconfronteerd wordt met zijn eindigheid, met vergetelheid en aftakeling. Maar Hammer, de man om wie het gaat, is niet zo maar een gewone sterveling: hij was professor, schreef boeken, sprak recht en had het zelfs tot minister gebracht. Een zeer succesvolle loopbaan dus, maar, zoals in flash-backs tot uiting komt, ongelukkig in een dwaze verliefdheid. Illusies, daar gaat het om. En die zijn met bloemen vergelijkbaar.

Hoe iedere lezer finaal toch weer iets anders overhoudt aan de lectuur van dit boek, bleek uit het altijd boeiend moment waarop de leden van de kring om beurten een kort voorkeurfragment  voorlezen. Besluit: voor literaire meerwaardezoekers is ‘Bitter bloemen’ een aanrader.


 

Dinsdag 25 oktober 2011

‘Gitte’ van Kristien Hemmerechts

‘Gitte’ is  het verhaal van een pubermeisje dat in een familiaal dramatische context haar eigen weg zoekt. Als kind woont zij met twee broers en haar ouders in een idyllisch huis aan de rand van een bos waar haar overgrootvader-boswachter werd vermoord. Haar oudste broer krijgt over dat verleden waanbeelden en moet opgenomen worden. Gitte en de andere broer gaan elk hun eigen weg naar de volwassenheid.

Het boek, dat moeilijk onder één noemer te plaatsen is, heeft iets van een thriller, een noodlotsdrama en een campusroman, een en ander in een gevoelsgeladen verpakking.

Alle leden van de kring waren het erover eens dat het boek vlot leest en weet te boeien, maar in de appreciatie was er een duidelijke scheidingslijn tussen de oudere en de jongere generatie in het gezelschap.

Wie met de auteur niet vertrouwd was, wou over Kristien Hemmerechts gaarne meer vernemen. Anderen die met haar werk vertrouwd zijn, vonden het niet haar beste boek. Eén iemand had vragen bij de geloofwaardigheid van een aantal ontwikkelingen in het verhaal. Waarop de anderen unaniem reageerden met het statement dat een schrijver zich in fictie bepaalde vrijheden moet kunnen permitteren.


Dinsdag 6 September 2011

Hella Haasse: Sleuteloog

Hélène Serafia (Hella) Haasse (Batavia, 2 februari 1918) was een van de eerste Nederlandse schrijvers die haar werk in het buitenland actief onder de aandacht bracht. Haar boeken zijn veelvuldig bekroond met literaire prijzen.

Korte inhoud van “Sleuteloog”

Een journalist benadert de kunsthistorica Herma Warner met de vraag of zij hem informatie kan verschaffen over Mila Wychinska, een mensenrechtenactiviste in Zuidoost-Azië. Op de foto die hij Herma stuurt herkent zij echter onmiddellijk haar jeugdvriendin Dee Mijers en ze wordt overspoeld door een golf van herinneringen aan haar leven in Nederlands-Indië en de jaren daarna. Bij het opstellen van haar antwoord komen ingeslapen emoties weer tot leven en worden al schrijvende oude raadsels ontrafeld. Het thema in Sleuteloog is typerend voor Hella Haasse, vanwege haar jeugd in Nederlands-Indië. Ze weet, omdat ze er gewoond heeft, veel over de cultuur en politiek in dat land en laat dat in haar boeken blijken.

 

De beoordeling van de leeskring

Voor de lezers staat vast dat Hella Haasse en zeer erudiet persoon is. In een geur van nostalgie beschrijft zij de culturele en politieke verschuivingen en de emotionele gevolgen daarvan in Nederlands-Indië. Ze gebruikt hiervoor de verschillende personages.

Het verhaal is raadselachtig maar naar het einde van het boek wordt het geheel opgelost, via enkele bijzondere ontdekkingen.

De Indische woorden die over het boek bezaaid liggen worden niet allemaal verklaard wat toch soms een gevoel van gemis geeft bij de lezers.

Er staan prachtige beschrijvende passages over de natuur in, waardoor je als lezer kan meegenieten van al dat moois.

Het boek was af en toe wat stroef om te lezen, maar in vergelijking met de positieve elementen toch een aanrader.


Tom Lanoye Sprakeloos

We kozen het boek Sprakeloos nadat Tom Lanoye op 28 mei 2011 de Henriette Roland Holst-prijs 2011 in Nederland won.

om kort samen te vatten:

« Na een beroerte raakt een amateuractrice en de moeder van de schrijver haar spraakvermogen kwijt. Langzaam en onherroepelijk takelt ze af, steeds minder in staat te communiceren met wie haar lief is.
Al in zijn recent verschenen essaybundel Schermutseling (3de druk) schreef Tom Lanoye over haar. Maar hij was nog lang niet klaar met zijn verhaal. Pas in Sprakeloos maakt hij de hele balans op. Die van zijn kleurrijke jeugd, van zijn worsteling met de liefde, van zijn conflicten met de kleine moederdiva, en ten slotte: van de strijd die zij, bron van leven en moedertaal, manmoedig voert, en waarin ze reddeloos en redeloos ten onder gaat – en de blijvende woede en pijn die dat oplevert. »

Gemengde gevoelens

Er was veel te vertellen over dit boek. Veel lezers zaten met een gemengd gevoel na het lezen van “Sprakeloos”. Langs de ene kant vonden ze het een erg interessant boek dat zin geeft om andere werken van Tom Lanoye te ontdekken. Langs de andere kant kreeg het boek wat kritiek door de moeizame start en de schrijfstijl die soms wat barok aanvoelde.

“Schrijven is schrappen, zo leerden wij op school” vertelde een lezer. Een andere lezer leest een passage voor met een oneindig aantal opsommingen, net omdat ze dat zo leuk vond.

Door de kwetsbare opstelling van de schrijver voelt het voor een aantal leden aan alsof het allemaal echt gebeurd is. Andere leden merken op dat het verhaal doorspekt is met de interpretatie van een artistieke vrijheid.

We zijn het eens dat “Sprakeloos” bij de start wat moeizaam leest, maar dat het zeker de moeite loont om verder te lezen. Het is een rijk boek, erg ontroerend en het rakelt heel mooie, hilarische momenten op. Dit boek probeert een niet grijpbare emotie te verwoorden en om te zetten in iets dat je tastbaar vasthoudt en koestert, een boek.


25/01/2011: Al goed op dreef

De tweede sessie van de jonge Leeskring binnen onze Nederlandstalige gemeentelijke bibliotheek stond in het teken van de Chileense bestsellerauteur Isabel Allende. Haar te bespreken boek: ‘Paula’, een van de opmerkelijkste titels uit haar omvangrijk oeuvre. In dit lijvig, dubbel-gelaagd boek maakt de lezer aan de hand van de daarin verweven familiekroniek uitvoerig kennis met de schrijfster en haar achtergrond. Tegelijkertijd wordt hij meegesleept in het tragisch verhaal van haar dochter Paula, een jonge vrouw die na een maandenlange coma op 28-jarige leeftijd overleed aan porfyrie, een erfelijke stofwisselingsziekte.

De confrontatie van individuele leeservaringen, persoonlijke opvattingen en inzichten, gaf aanleiding tot een boeiende gedachtenwisseling over de geloofwaardigheid van de auteur wanneer belevenissen aangedikt worden met fantasie, over haar geestesleven en haar geloof in bovennatuurlijke tekenen, en over haar houding ten opzichte van haar vaderland.

Wat het mannelijk lezerspubliek opviel, is Isabel Allende’s door strijdbaar feminisme gevoede bewondering voor sterke vrouwenfiguren als haar grootmoeder, haar moeder, haar schoonmoeder, haar dochter en haar schoondochter. Op haar aanbeden grootvader (langs moederskant) en haar tweede echtgenoot na, komen de (vele) andere mannen in haar leven veel minder uit de verf.

Waar alle deelnemers het wel over eens waren, is dat het boek ook nu nog de leesmoeite meer dan waard is. Wat iedere deelnemer trouwens afzonderlijk treffend illustreerde met voorlezing van een voorkeurpassage uit het boek.

De eerstvolgende bijeenkomst is geagendeerd voor dinsdag 29 maart. De conversatie zal dan gevoerd worden rond een boek van Marc Levy, ’s werelds succesvolste Franse schrijver van het ogenblik. Titel van het boek: ‘Was het maar waar’, oorspronkelijk ‘Et si c’était vrai’, intussen ook in het Engels vertaald en van daaruit verfilmd als ‘Just Like Heaven’. Voor belangstellenden zijn er aan de (uitschuifbare) conversatietafel nog wel een paar plaatsen te begeven. Deelnemen is gratis. Informatie aan de balie van de bibliotheek. (wp)


 

30/10/2010: Leeskring enthousiast van start

Op de laatste dag van november is in onze bibliotheek de eerder aangekondigde ‘Leeskring’ onder een gunstig gesternte van start gegaan: allen die zich eerder als deelnemer hadden gemeld, waren present. Verschillen in achtergrond, leeftijd en cultuur bleken geen beletsel voor een boeiende uitwisseling van leeservaring met en mening over ‘Kaas’, het boek waarmee Willem Elschot naam heeft gemaakt over meerdere taalgrenzen heen.

Het in ik-vorm verteld bitterzoet verhaal van een mislukking in het zakenleven is universeel en van alle tijden, maar de context waarin het zich afspeelt leert veel over de sociale verhoudingen in de eerste helft van de vorige eeuw.

Waar alle lezers het over eens waren, is dat de tragikomische hoofdfiguur gevoelens van sympathie oproept. Zou het de auteur, die via ‘Kaas’ heeft willen afrekenen met de branche waarin hij zelf om den brode actief was – de reclamewereld – genoegen hebben gedaan?

Met ‘Paula’ van Isabel Allende staat op de agenda van de eerstvolgende bijeenkomst (25 januari 2011) een boek van een totaal ander genre. Wie zich aangesproken voelt, moet weten dat er aan de (flexibele) conversatietafel nog een paar plaatsen te begeven zijn. Nadere informatie aan de balie. (WP)

 


19/10/2010: De eerste samenkomst van de Ukkelse leeskring was een succes!

Vijf Ukkelse boekenliefhebbers spraken af  om elke 2 maanden een dinsdagnamiddag vrij te houden.

Een eerste rondje peilde naar de verwachtingen voor dit moment : ‘niet te schools’, ‘leesplezier’, ‘ontdekking van nieuwe auteurs’ , ‘goede tips’ luidden de spontane reacties .

Daarna volgde een gedachtewisseling met leessuggesties. Nooteboom en Hemingway is dat niet te filosofisch?  Danielle Steel beheerst het romantische genre, maar voor de ene is dat genre te weinig, voor de ander te veel uit het leven gegrepen. Vlaamse klassiekers als Elsschot of Buysse stonden op het gemeenschappelijk verlanglijstje om (her)ontdekt te worden. Nederlandse auteurs Margriet De Moor en Annejet van der Zijl trokken de aandacht. Ook Paula van Isabelle Allende kon op instemming rekenen bij iedereen. 

De knoop werd doorgehakt. Het werd een dun meesterwerk: "Kaas" van Willem Elsschot.

Bijlages: